DE VERWEESDE STAD

15 12 AmsterdamDamsquare         DE VERWEESDE STAD.

Komt u als Amsterdammer nog wel eens een bekende tegen op de Dam? Of komt u daar nooit meer?

Eeuwenlang was het centrale plein in de stad wat nu de televisie is: belangrijke bezoekers en criminelen werden er aan het publiek getoond. Het was het clubhuis van de stedelingen voor processies, markten, opstanden, demonstraties, kermissen en ander vertier en voor de gewone burger de gelegenheid om quasi toevallig een mede-stadgenoot te ontmoeten.

Het was ons plein en de straten waren onze straten.

De Amsterdamse Dam maakte echter een merkwaardige ontwikkeling door en werd het stadsplein van heel Nederland, waar nationale gebeurtenissen zoals de 4 mei herdenking en inhuldiging van de Oranjes vooral door mensen van buiten Amsterdam worden bijgewoond.

COLUSSEUM

Inmiddels is evenwel een groot deel van de publieke ruimte in onze steden verworden tot ons eigen Colosseum. Burgers, politici, architecten, aannemers en foute en niet door de politiek gecontroleerde ambtenaren misbruikten de openbare ruimte de laatste decennia ten eigen bate als een steengroeve om hun eigen ideologische privé tempeltjes te bouwen. Ze pikten allemaal naar believen wat bouwstenen en zo verdween onze trots en zelfs onze betrokkenheid en werd de stad een bron van ergernis.

ARCHITECTEN

Veel architecten toonden geen respect voor het stadsbeeld, de traditionele harmonie, de burgers van de stad of zelfs de gebruikers van hun bouwsels en vergaten dat ze een dienende functie hebben, ze leefden in de waan dat ze autonome kunstenaars zijn, en hun gebouwen autonome kunst, hoewel hun salaris en hun gebouwen nooit uit hun eigen portemonnee worden betaald, maar met het geld van de belastingbetaler, maar die heeft niets te zeggen: zelfs bij stadhuizen houdt een architect decennialang een vetorecht op veranderingen en zo wordt de mening van burgers, gemeenteraad en dus de democratie decennialang buitenspel geplaatst. En in het voortraject is onze eeuwenoude democratie opzijgezet door EU tenders die maken dat gebouwen niet door onze werkloze stadgenoten worden gebouwd, doch door vreemden afkomstig uit een regio met een voor ons onbegrijpelijke taal en die ondertussen ook nog onze schaarse woonruimte innemen en onze betrokkenheid om zeep helpen. Zo wordt de stad volgeplempt met fremdkörper.

En dan al die rare reclame : waarom mag u als burger niet in zwembroek door de binnenstad lopen, maar mag een buitenlandse winkelketen wel met meer dan levensgrote posters met naaktheid of Benetton-achtige gruwelijkheden choqueren in een omgeving waar dat volgens de etiquette not done is, zoals op het bushokje in een woonstraat of in een kantorenstraat. Waarom moet dat kunnen? Dit is toch monopolisering en een vorm van diefstal van de openbare ruimte? En waarom worden beelden en monumenten die feel-good uitstraalden door negatievelingen zwart gemaakt zoals de VOC of een oorlogsmonument, evenals publieke cultuuruitingen zoals Sint-Nicolaas en zijn Zwarte Pieten?

DE 17de EEUW

Wat een verschil met de vorige generaties stadsbewoners: In de 17de eeuw woonde – ander dan in veel andere landen – al de helft van de Hollanders in een stad. Stadslucht maakt vrij luidde het adagium. En het was een eer om in de stad te mogen wonen, en vooral als men poorterrechten had. Een groot verschil met de clochards die ‘s avonds als de klokken (cloches) luidden de stad uit moesten.

Men was dus als bewoner trots op zichzelf omdat men in de stad mocht wonen.

Maar, men was ook trots op zijn stad: op de stevige stadsmuren, op de mooie gebouwen zoals kerken met een hoge toren en een wonder zodat er veel pelgrims = toeristen kwamen die de stad nog meer reputatie en vooral inkomsten bezorgden, stadhuizen en de fabrieken van die tijd de windmolens, de lakenindustrie of de haven. We waren ook trots op onze medeburgers en voorvaderen die alles hadden opgebouwd, en op beroemde stadgenoten, en men was zelfs trots op beroemde bezoekers, zoals prinsen en kunstenaars. En van al die beroemde mensen en alle prachtige gebouwen werden beelden, schilderijen en wandtapijten gemaakt, die nog steeds de trotse kern vormen van de stedelijke musea zoals in Amsterdam, Haarlem of Delft .

DE 19de EEUW

Eeuwenlang veranderde er weinig. De veranderingen kwamen pas in de 19e eeuw met de industrialisering en de influx van arbeiders vanuit het platteland; de stad als het land van melk en honing. Nog tot in de 60’er jaren kon men in wijken zoals De Pijp, de Schilderwijk of Feijenoord zien en horen uit welke regio men afkomstig was. De nieuwe industrieën werden vereeuwigd op fraaie tegentableaus met prominente rokende schoorstenen als symbool van de vooruitgang. En trots waren we ook op bijzondere winkels en de streekproducten geproduceerd in de stad zelf of de agrarische ommelanden.

De nieuwe grote gebouwen waren als kathedralen van het nieuw elan zoals stations en langs de weg van de oude stad naar het station vestigde zich de stedelijke elite zoals de arts en de notaris.

De stad had een gemeentearchitect die bouwde zoals de gemeenteraad en de burgers dat mooi vonden en die zorgde voor een eenheid in stijl voor gemeentescholen, ziekenhuizen, watertorens, remises, politiebureaus en gemeentewoningen. En we bleven trots op ons zelf en onze stad die was gebouwd door onszelf de medeburgers en onze voorvaderen.

En na de verwoestingen door de oorlog of de watersnoodramp voelden we het dan ook als een logische plicht en goed rentmeesterschap alles weer netjes op te bouwen.

DE OMSLAG

Ergens in de 80’er jaren was de omslag: geen trots meer op verleden, het nieuwe motto werd: leuk, zoals leuk shoppen, leuke terrasjes en leuk uitgaan.

De grotere nationale en internationale mobiliteit maakte dat de nieuwkomers de overhand kregen en de trots vervaagde. De winkels werden – vooral in Nederland met alle (ook internationaal) succesvolle winkelketens- eenvormig. Een nieuwe lichting stadsbestuurders en ambtenaren kwam niet meer uit de gemeenschap voort doch was bezig met de eigen carrière en zelfontplooiing.

DE MENSEN

De raison d’être van de stad is natuurlijk de mens. Dat zijn wij. Maar we voelen ons er steeds meer ontheemd.

De meeste mensen kunnen niet buiten de drie ‘sociale cirkels’, nl een prettige thuis situatie , een prettige werk/schoolomgeving en sociale contacten in de (semi)openbare ruimte. Er zijn maar weinig mensen die happy zijn als kluizenaar, en velen raken al uit balans als er maar een van de drie cirkels omvalt. Nieuw is dat de existentiële bedreiging voor het individu niet meer alleen wordt getriggerd door het verdwijnen van werk en/of een veilig thuis, maar dat momenteel juist de derde cirkel, ook wel het derdengebied genoemd vooral voor jongeren het grootste gevaar is. De openbare ruimte met anonieme mensen is in de perceptie van velen fysiek bedreigend – verwoord door de roep om meer ‘blauw’ – maar wordt ook steeds meer als een psychische en morele bedreiging gezien. Een schoolhoofd meldde in het WRR-rapport ‘Vertrouwen in de school’ dat hij moet kiezen tussen twee kwaden en daarom leerlingen contre coeur de hele dag binnen houdt en dus berooft van een eigenlijk essentieel divers sociaal leven.

Maar ook het wegvallen van de (vluchtige) omgang met de vage kennissen bij de bushalte of in een winkel maakt mensen in een zwakke positie die eerdergenoemde cirkels ontberen diep ongelukkig en doet ze in het ergste geval ontsporen De vanzelfsprekende actieve en passieve communicatie in relatieve anonimiteit is verdwenen omdat steeds meer medemensen een andere taal spreken, of een andere lichaamstaal, dus bv niet elkaar aankijken en dank-u-wel mompelen als de een voor de ander een deur openhoudt, of zelfs helemaal geen deur openhouden omdat dat niet past bij de etiquette van sommige nieuwkomers.

Vroeger, toen we allemaal nog één taal spraken, werden we nog wel eens wijzer door het ongewild horen van gesprekken tussen vreemden. Zo kregen we begrip voor standpunten die belangrijk waren in andere sociale klassen of andere generaties. En we keken allemaal naar dezelfde t.v.-zenders en waren lid van plaatselijke verenigingen, in plaats van een internetforum.

STRAATETIQUETTE

In de nadagen van de LPF was er tijdelijk bij het CDA een rivival in het promoten van waarden en normen. Eeuwenlang waren in ons land de christelijke normen en waarden evident: wat gij niet wilt dat u geschiedt, doet dat ook een ander niet, want de ander is ook Gods schepping en dient dus met alle respect te worden ontmoet, dus de hoofdletter R van rekening houden met elkaar was ons leitmotiv. Natuurlijk was dat in de praktijk niet altijd zo, maar een dergelijke theorie helpt best wel om prettig samen te leven. Dat vond ook Bolkesteijn die in de tachtiger jaren de VVD voorstelde om in hun partijprogramma naast het humanisme de christelijke wortels weer expliciet te noemen, en dat was toen flink schrikken voor veel liberale humanisten, joden en kerkverlaters.

Anders dan sommige nieuwkomers menen, wordt ons gedrag in de openbare ruimte niet bepaald door het Wetboek van Strafrecht of door de politie maar door de fatsoensnormen van een stilzwijgende straatetiquette die onze openbare ruimte leefbaar houdt. Zoals het verdelen van vrije ruimte in het stadspark en in de stadsbus juist niet naast de enige andere passagier gaan zitten. En de medemens – behalve in verkiezingstijd of tijdens een demonstratie of staking – niet verbaal of visueel lastig vallen met de eigen politieke noch godsdienstige mening en de medemens zo veel mogelijk niet confronteren en al helemaal niet choqueren met vervelende ziektes of gebreken.

Inmiddels gebeurt dat continu: niet alleen door kleine religieuze groepen zoals hare krishna als onbedoelde komische noot in de stad, maar ook door de sikhs met hun tulband en de moslims met baard en hoofddoek die daarmee zelfs twee fatsoensnormen overtreden nl permanente reclame voor een geloof en permanente promo voor een ideologische maatschappij visie waarbij bv de vrouw de mindere is van de man, en die door hun outfit a.h.w. de godganse dag de vrouwelijke medemens lopen te beledigen als zijnde inferieur aan de man en bovendien homo’s – dat betreft dus 20% (?) van de medemensen – weg te zetten als te straffen criminelen.

Geen wonder dat velen zich in hun omgeving unheimisch voelen, wat zullen ze doen als een vrouw valt of anderszins in de problemen raakt? Kunnen ze haar helpen, of mogen ze haar niet aanraken?

De perceptie van de publieke ruimte die eens ons openbare clubhuis was waar we verwachtten dat we ons bijna net zo prettig voelden als thuis in onze huiskamer of op het werk is voor het eerst sinds de bezettingsjaren veranderd in een bedreiging van ons welzijn en geluk.

Mensen worden steeds meer onzeker in de openbare ruimte en dat leidt tot kortstondige nieuwe bondgenoten in de stadsbus.

Toen de stad een paar decennia geleden nog onze stad was, was het normaal dat vreemden af en toe een oppervlakkig praatje maakten bv over het weer, en bij lange trajecten stelde men zelfs voor om te converseren. Dat is tegenwoordig voor velen not done. Tegelijkertijd zien we dat het groeten van kassapersoneel of de buschauffeur in veel wijken nagenoeg verdwenen is. Men beschouwt hen als een verlengstuk van een machine zoals de arbeiders in Carlie Chaplins’ Modern Times en de door Van Gogh in zijn brieven beschreven Brabantse wevers die door hun werkgevers gezien werden als onderdeel van het getouw.

Maar, er is een kentering geconstateerd: men groet weer een beetje, men knikt weer een beetje, maar thans vooral uit eigenbelang, nl het smeden van stilzwijgende bondgenootschappen met personeel en medereizigers om hopelijk hulp te krijgen in geval het een keer hommeles is, precies zoals dat gebeurt in de metro in de grote anonieme wereldsteden.

STADSVERNIEUWING

Eeuwenlang bleven de opvolgende generaties in dezelfde wijk wonen en kinderen werden zo jong mogelijk ingeschreven bij de woningbouwvereniging, om later in de zelfde straat te kunnen wonen als de rest van de familie.

Maar de stadsvernieuwing, het geloof in de foute principes van Le Corbusier’s wonen, werken en recreatie te scheiden en de komst van migranten die de oorspronkelijke bevolking – uiteraard zonder zich daarvan bewust te zijn – verdreven naar nieuwbouwwijken verbraken vanaf de 70’er jaren de verbondenheid met de wijk en de territoriale sociale cohesie.

Tegelijkertijd verminderde de functionele sociale cohesie door b.v. het afkalven van de verzuiling zoals ledenvermindering van kerk en vakbeweging, en door het door de overheid onteigenen van volkstuinen en het fatsoeneren van vergeten ruige percelen met hun eigen publiek, zodat allerlei ontmoetingsplaatsen verdwenen.

DE SOCIALE DEGRADATIE VAN DE STEDELIJKE MIDDENKLASSE

Zo verdween ook de sociale structuur, en dus ook veel nabuurschap, waarvan de leiders vaak tot de middenklasse behoorden.

Het is juist de sociale degradatie van de stedelijke middenklasse die het skelet uit onze maatschappij haalde.

Tijd, inzet en vooral verantwoordelijkheidsgevoel van zelfstandige loodgieters, slagers, huisartsen, onderwijzers en vele anderen, geworteld in hun omgeving, zorgden generaties lang voor hechte sociale structuren en individuele hulpverlening.

Winkeliers verdwenen en werden opgevolgd door supermarktpersoneel zonder wijkbinding. Vervolgens verdwenen de loodgieters: failliet, omdat de generaties lang opgebouwde klantenkring werd ingepikt door onder de kostprijs werkende arbeidstoeristen uit steeds weer nieuwe EU-landen

Voor huisarts en leraar bleef het werk maar veranderde de status: De vroeger gerespecteerde leraar staat niet meer in het telefoonboek uit angst voor privacy aantastende filmpjes op you-tube of wraakexpedities van boze ouders.

En ook de vrouwen-van kunnen weinig meer betekenen voor de buurt, sinds ze ook aan het werk moeten omdat een gemiddeld huishouden niet meer rond kan komen van één salaris.

Zo verdween met de stedelijke middenklasse ook een groot deel van ons maatschappelijk leven en onze sociale infrastructuur: zowel het geïnstitutionaliseerde gesubsidieerde vrijwilligerswerk, alsook het traditionele vrijwilligerswerk, dus het netwerk van mensen die zich puur altruïstisch zonder enige tegenprestatie inzet voor de medemens. Juist de verwevenheid van al die activiteiten creëerde een hechte maatschappelijke structuur.

Natuurlijk heeft de stad ook als charme dat men er kan onderduiken in zelf gewenste anonimiteit.

NIEUWE MIDDENSTAND

Intussen is er wel een nieuwe middenstand, maar dat is iets anders dan een middenklasse, want het verantwoordelijkheidsgevoel van een immigrant is per definitie primair gericht op verbetering van de eigen positie en zijn maatschappelijke context ligt niet hier maar in het thuisland. Voor zover het geen moslimse iets-is-ten betreft, maar recht-in-de-leer moslims bewijst volgens Ayaan Hirsi Ali zowel de praktijk als de theorie dat hun focus, anders dan bij de op de medemens en naastenliefde gerichte christen en humanist, vooral verticaal gericht is naar hun god en het leven na de dood, zodat er geen morele noodzaak is voor actief vrijwilligerswerk, zoals blijkt uit de malaise bij veel stedelijke voetbalclubs en speeltuinverenigingen.

Thans zien we dat wie het maar enigszins kan betalen zoveel mogelijk niet thuis is, maar elders waar men de plek zelf heeft gekozen: het huisje in de Ardèche, het overwinteren in Spanje of de caravan. Vaak zijn dat de enige weken van het jaar dat men woont waar men wil, want in het dagelijkse leven staat men jarenlang op een woonwachtlijst zonder veel invloed op de wijk waar men terecht komt of de indeling van het huis, hoe anders dan in de rest van de westerse wereld.

LEUK EN BEHAGEN

Wonen in een stad is even vrijblijvend geworden als een bezoek aan de supermarkt. De stad is verworden tot een vervangbaar consumptie goed. De mensen wonen weliswaar in de stad, maar de stad woont niet meer in de mensen. Maatschappelijke betrokkenheid werd vervangen door de behoefte dat het leuk moet zijn en dat men vooral aardig wordt gevonden i.pl.v. zoals in de 60’er jaren te (bek)vechten om verbeteringen te realiseren.

Individuen met ergerlijk, machtswellustige gedrag zoals rommel op straat gooien, of ‘s nachts onnodig claxonneren of op een zonnige dag de hele middag met de grasmaaier heen-en-weer ratelen, zodat niemand rustig van zijn tuintje kan genieten, worden nog maar zelden door peers gecorrigeerd, omdat er door het social engeneering door de overheid een peers-verdunning heeft plaatsgevonden, maar vooral doordat door de 68’ers een nieuwe norm werd gecreëerd: behagen. In sommige universiteiten en hogescholen werden jarenlang de cijfers niet vastgesteld door de docenten, maar door de medestudenten. Nou, die wil je wel te vriend houden en dus kreeg iedereen tenminste een 6.

Deze behaagcultuur maakte dat mensen zich steeds meer gedeisd gingen houden: op het werk en in politieke partijen – waarvan de ledenaantallen mitsdien snel verminderden – deden ze gewoon mee, maar namen geen initiatieven meer om de kop vooral niet boven het maaiveld uit te steken. Zo houden we het gezellig en vooral leuk.

Onze behagers kregen de laatste decennia gezelschap van immigranten die uit culturen komen waar het behagen altijd al de norm was: ja betekent misschien, en misschien en morgen staan voor nee en nooit. Bovendien is het in brede kring bij immigranten not done om wat voor kritiek dan ook te hebben op Nederland omdat ze werkelijk intens dankbaar zijn dat ze hier de gelegenheid hebben gekregen een nieuw bestaan op te bouwen. Zelfs een simpele opmerking over bv de uitzendtijd van een tv programma vinden deze modelimmigranten ongepast. Daarom is het ook zo moeilijk voor talkshows om verstandige allochtone discussiepartners te vinden. De keerzijde is dat al die aardige behagers niet de eersten zijn om zich misdragende onbekenden aan te spreken.

INDIVIDUALISME

Nederland is een individualistische maatschappij. Wij gaan niet met de hele extended family of met een groep mannelijke telgen de stad in. Overal waar zo n groot gezelschap verschijnt blijkt dat Nederland daar niet op ingericht is en geen moeite doet om dat te realiseren. En dus leidt de aankomst van zo’n gezelschap bij de disco of in een klein winkeltje of bij een patient in een ziekenhuis geheid tot iritatie.

HANGJONGEREN

En puberende hangjongeren in het winkelcentrum wekken zo mogelijk nog meer ongenoegen, hoewel ze al eeuwen een probleem zijn in de Nederlandse binnensteden. Ze hebben momenteel vaak plenty vrije tijd vanwege huiswerkvrije VMBO-scholen, moeite om een scholierenbaantje te vinden, en komen veelal uit een cultuur waar na zeven uur ‘s avonds buiten rondhangen normaal is, en ook wel begrijpelijk, als je met een groot gezin in een relatief kleine flat woont, dan willen pa en moe ook wel eens echt alleen zijn.

Ons beeld wordt vertekend doordat we er gedurende de Koude Oorlog aan gewend zijn geraakt dat er relatief weinig jonge mannen op straat liepen want die zaten voor een paar jaar in militaire dienst en op de route tussen kazerne en thuis werden ze opgehokt in speciale militaire treinen.

In dienst leerden ze niet alleen zelfdiscipline, maar ook om te gaan met kameraden die over de schreef gaan. En natuurlijk profiteerden hun kinderen en omgeving ook van die opgedane pedagogische en corrigerende vaardigheden. Anderzijds zijn hangjongeren steeds dichterbij gekomen omdat de plaatsen waar jongeren vroeger rondhingen zijn verdwenen, aangeharkt of ontoegankelijk gemaakt zoals de voor jongeren spannende raffelranden van de stad of leegstaande gebouwen. De openbare ruimte is helemaal opgeruimd, maar de politici hebben de jeugd vergeten.

ONGENOEGEN

De stad die toch al een vluchthaven is voor mensen die zich ongelukkig voelen, huisvest dus bovendien steeds meer burgers die niet happy zijn met hun stad of wijk of met de overheid. Velen voelen zich te kort gedaan en lopen met een kwade kop rond en krijgen zeker als ze de morele norm ‘wat gij niet wilt dat u geschiedt, doet dat ook een ander niet’ niet hebben geinternaliseerd soms de neiging om hun frustraties af te reageren op de medemens of op het straatmeubilair als fysieke representanten van de collectiviteit en creëren zo een perpetuum mobile van onvrede met de stad waar ze wonen. Voor hun is de openbare ruimte gewoon een anonieme tiran tegen wiens ‘handlangers’ zoals ambulancemedewerkers en brandweerlieden alles is geoorloofd ter compensatie van het privéongenoegen.

CONCLUSIE

Ja, we wonen nog in de stad, maar de stad woont niet meer in ons. De patchworkisering van de stad heeft onze sociale cohesie verknipt. Na eeuwen zijn we de stad kwijtgeraakt, en de stad is verweesd.

Onze trots richt zich nu op ons eeuwenoude cultuurlandschap: de polders, veroverd op de waterwolf dankzij de noeste arbeid van onze voorvaderen. Daarom is de Hertogin Hedwigepolder van ons allemaal. Want de polder is de nieuwe stad.

Nicolette Geveke.
==============
Naschrift: Dit was inzending voor een essaywedstrijd in 2012 van de Koninklijke Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen i.s.w. met de NRC, met als thema “Van wie is de stad?’ . Het is n.m.m. een bijzonder belangrijk thema, en er waren dan ook 100 inzenders. Ik had graag ook die artikelen gelezen. Maar mijn verzoek daartoe werd niet gehonoreerd. De KHMW vindt kennelijk ideeën uitwisseling niet belangrijk. De winnaar was de stadsplanoloog van Amsterdam, en daar kan ik mij zeer goed in vinden. Proficiat!

Advertisements
This entry was posted in SOCIALE COHESIE and tagged , . Bookmark the permalink.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s